Tekst en beeld: Vrienden van de Esch
Mei is van meidoorn
“In mijn oren gonsde het van de geur van de meidoorn”. Niemand schreef zo vaak en zo mooi over de meidoorn als Marcel Proust. Hij was niet voor niets zo onder de indruk: de meidoorn is wonderschoon.
We hebben het over de eenstijlige meidoorn. Er is ook een tweestijlige, maar die zie je minder vaak. In Natuurpolder De Esch staat de eenstijlige, de Crataegus monogyna. Het is een struik of kleine boom, die tot 10 meter hoog worden. De doorn in de naam mag je letterlijk nemen, want als je goed tussen de bladeren kijkt vind je hier en daar serieuze doorns. De meidoorn is daardoor goed bestand tegen grote grazers. Daarom werden ze vroeger vaak in hagen aangeplant en aan dat gebruik danken ze een tweede naam: haagdoorn. Omdat het hout zo hard is, is er nog een derde naam: steendoorn. De hagen werden vroeger vaak gesnoeid: sommige van de stobben konden wel honderden jaren oud worden en steeds weer uitlopen tot robuuste hagen.
In De Esch is zo’n echte meidoornhaag, weliswaar van recenter datum. Het landschap van De Esch is zelf wel zeer oud: het ontstond in de dertiende eeuw, na het aanleggen van de Schielandse Hoge Zeedijk. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde in hoog tempo van alles in dit historische landschap. Er werd een zoetwaterbekken gegraven; dwars door dat bekken werd een nieuw dijk gelegd op Deltahoogte; het waterbekken werd goeddeels gedempt: alles in een zeer kort tijdsbestek. En toen werd het stil. De plannen om het hele gebied tot aan de nieuwe dijk af te graven gingen gelukkig niet door. Op de grens van het oorspronkelijke slagenlandschap met het restant van het waterbekken werd een haag van meidoorns aangelegd. Tot voor kort werd deze ook goed onderhouden, door op gezette tijden de uitlopers half te kappen en vervolgens ineen te vlechten (zie de twee wat oudere foto’s). Hopelijk wordt dit subtiele onderhoud van de vlechthaag hervat. De meidoorn verdient het.
Want behalve mooi is de meidoorn ook een soort natuurlijke apotheek. Er zit veel vitamine B en C in de bladeren en de bessen, maar ook polyfenolen zoals de flavonoïden proanthocyanidine (PAC), epicatechine (een flavan-3-ol), hyperoside (een glycoside: quercetine-3-O-galactoside) en isoquercitrine (een glycoside: quercetine-3-O-glucoside), fenolzuren zoals chlorogeenzuur en verschillende triterpeenzuren zoals ursolzuur en oleanolzuur zijn aanwezig. De gemiddelde wandelaar in De Esch heeft natuurlijk geen flauw idee wat dat allemaal is en het is dan ook beter om niet zelf te gaan dokteren. Maar feit is dat de oude Chinezen en de oorspronkelijke bewoners van Amerika al eeuwenlang bekend waren met de medicinale wonderboom, die heilzaam bleek voor hart en zenuwen.
Misschien is het al genoeg voor je om eens intens te genieten van de duizenden geurende bloemen in de meidoorn en alle insecten die ze aantrekken. De bloeitijd is van mei tot en met juni.





De bostulp als trofee
April. De dagen worden langer, de zon verwarmt de aarde meer en meer. Nachtvorst is er niet meer, al komt het soms dicht in de buurt. Tijd voor de bostulp, de Tulipa sylvestris, om uit de bol te gaan.
Deze tulp heet dan wel bostulp, maar je koopt er geen bosje van. Ze staan ieder voor zich, een beetje slordig in het veld. Ze ogen scherper en ook kwetsbaarder dan ‘onze’ tulpen. Terwijl hun roots dichter bij ons liggen dan van wat wij als Hollandse tulp zijn gaan zien. Daarvan ligt de oorsprong namelijk in het hooggebergte van Turkije, Iran, Kazachstan of Kirgizië. De bostulp komt ook uit hogergelegen gebieden, maar dan van meer dichtbij. Op Corsica bijvoorbeeld kan je ‘m zomaar zien staan. Min of meer solitair opvlammend, hier één, daar één.
Alhoewel de bostulp hier dus geen inheemse soort is, komen ze al heel lang voor in ons land. In de zeventiende eeuw – eeuw van de tulp – zijn ze naar hier gehaald. Maar anders dan met de gewone tulp is er niet heel veel gekweekt en gekruist. Ze is zichzelf gebleven. Oorspronkelijk stonden ze bij buitenplaatsen in Friesland. Ze worden daarom ‘stinzenplanten’ genoemd: ze stonden bij stenen huizen – stinzen.
In Natuurpolder De Esch waren ooit drie buitenplaatsen. De meest legendarische daarvan was De Rozenhof: een gigantisch complex, met ondermeer een beroemde tuin. Stonden daar stinzenplanten? In ieder geval staat de Tulipa sylvestris exact op de plek van De Rozenhof. Zijn hier groene vingers aan het werk geweest, met ook nog historisch besef? Of hebben ze zich gehandhaafd, al die jaren, wat er ook met De Esch is uitgespookt (en dat is veel).
Laten we de bostulp als trofee kiezen: de plant die, wat er ook gebeurt, iedere lente de kop weer opsteekt.

Ode aan de Wespenorchis
Wie een wespenorchis (Epipactis helleborine) gezien heeft krijgt soms de reactie van een kenner: “een heel algemene soort”. Voor je teleurgesteld bent is het beter nu verder te lezen. Inderdaad is de wespenorchis van alle wilde orchideeën misschien wel het minst kieskeurig. Je treft haar aan in een heel scala aan grondsoorten, van zand en veen tot rivierklei. Een makkelijke plant, zou je kunnen denken. Maar dat is toch niet zo. Aan de grondsoort stelt de plant misschien weinig eisen, maar aan de condities des te meer. Als er niet een heel bepaalde schimmel in de grond zit gebeurt er niets. Deze schimmel, mycorrhiza, moet het zaad infecteren. Pas dan kan de plant tot wasdom komen. Er is sprake van een symbiose: een wederzijdse afhankelijkheid. Want de plant levert ook diensten aan de schimmel.
Het zaad van de wespenorchis is zogenaamd stofzaad. Het is zo klein dat het werkelijk overal in de atmosfeer rondzweeft. In principe zouden er dus ook overal wespenorchissen kunnen staan. Dat dit niet zo is komt doordat het mycorrhiza wél kieskeurig is. Het komt uitsluitend voor in ongestoorde bodems. En die zijn in onze tijd nu juist steeds zeldzamer aan het worden. Overal gebeurt wel wat met of in de grond. Maar ís er daadwerkelijk ergens rust in de bodem, ja, dan komt de wespenorchis daar het bewijs van leveren.
Zo is deze plant dus een trofee. Ze vertelt het verhaal van een letterlijk rustige plek. Het wekt dus geen verbazing dat er tientallen wespenorchissen in Natuurpolder De Esch staan. Want daar ís rust. Er zijn een paar hotspots. Zo is er, dicht bij het plasje, een plek waar er wel vijftig bij elkaar kunnen staan. Maar ook als je gewoon op het pad loopt zie je ze. Ze hebben een microklimaat nodig: weinig wind, wat schaduw, maar weer niet te donker. Daarom staan ze in de buurt van bomen, maar niet midden in het bos. En juist een pad vormt een open ruimte, waardoor een bosrand wordt gesimuleerd. Als de beheerder niet te veel doet, en zeker geen grond verzet, kunnen de schimmel en de wortelstok van de wespenorchis veel vreugde verschaffen. Loop je van West naar Oost door het gebied, dan kan je vanaf juli aan je rechterhand tal van wespenorchissen tegenkomen. Doe ze de groeten en voorkom wroeten.
Kijk op www.floravannederland.nl/planten/brede_wespenorchis voor meer informatie.



